Na een lange nachtelijke busrit vanuit Eindhoven staan we ’s ochtends al vroeg in Bolzano. In Zwitserland zag het er nog troosteloos uit, maar na de Brennerpas schijnt de zon volop. Het is dus snel ontbijten, tent opzetten en daarna de benen testen. We besluiten vanuit Bolzano naar de hoger gelegen schaatsbaan van Kolalbo te fietsen. In Bolzano is het even zoeken, maar net buiten de stad begint een lange niet al te steile klim met vele haarspeldbochten. Ondanks het slaaptekort en de hitte gaat het klimmen goed. Bij de schaatsbaan drinken we cola op een terrasje en daarna is het lang op en af voordat de afdaling naar Bolzano begint. Ik ben de hoge snelheden niet meer gewend en knijp dan ook al snel in de remmen wanneer de teller boven de vijftig uitkomt. De vele tunnels in de afdaling zorgen ervoor dat het oppassen geblazen is. In de tunnels zit het wegdek vaak vol gaten. Doordat ik me op de weg moet concentreren heb ik maar weinig oog voor de schitterende omgeving waarin we rijden.
Op dag twee staat de eerste etappe gepland. Na een ruime honderdtwintig kilometer moeten we in Prato allo Stelvio uitkomen waar het echte klimwerk begint. Vandaag moeten we eerst twee niet al te hoge passen over. Vanuit de camping beginnen we meteen aan de Passo Mendola (1363), een niet al te steile klim van zo’n vijftien kilometer. De klim loopt lekker en ik hoef niet al te veel terug te schakelen. Na de afdaling van de Mendola begint de klim naar Passo di Palade (1518). Een echte klim kan het niet genoemd worden, het is eerder vals plat omhoog. Na de twee passen dachten we het zwaarste gedeelte van de etappe gehad te hebben, maar niets was minder waar. Er volgden nog ruim zestig kilometer over golvend terrein in de brandende zon. Langzaam werden we gesloopt. Op één van de laatste klimmetjes over een onverhard fietspad langs de rivier ging bij mij het licht uit. Een paar happen van de appels uit de naastgelegen boomgaarden konden dat niet meer tegengaan.
De derde dag staat een rondrit over de Passo dello Stelvio (2758) op het programma. De officiële route loopt via Zwitserland over de Umbrail (2503). We beginnen de klim echter vanuit Prato vanwaar we de 47 legendarische haarspeldbochten af moeten werken. Ik doe er bijna twee uur en twintig minuten over om boven te komen. Het feit dat alle bochten genummerd zijn werkt in het begin niet echt motiverend. Het aftellen gaat heel langzaam. Pas wanneer ik bij bocht twintig kom, komt het einde in zicht. De laatste kilometers zijn zwaar, maar je krijgt er ook wat voor terug: vanaf de pas is het een schitterend zicht de weg langs de berg naar beneden te zien slingeren. We dalen de Stelvio aan de andere kant via de Umbrail af. In Sta. Maria halen Menno en Niels mij over via de Umbrail terug te rijden naar Prato. Weer bijna zeventien kilometer klimmen dus. Het gaat allemaal wat minder snel dan de eerste klim. We krijgen te maken met een vervelende tegenwind, waardoor het koud wordt. Donkere wolken hangen boven de Stelvio en we zijn blij wanneer we aan de afdaling kunnen beginnen. Uiteindelijk hebben we ruim vijf uur op de fiets gezeten, evenveel als gisteren, maar hebben we wel veertig kilometer minder op de teller staan.
Op dag vier staat de etappe naar St. Moritz gepland. Bij het vertrek vanaf de camping ziet het er somber uit en net na het passeren van de grens met Zwitserland valt de regen met bakken uit de hemel. We reden in een groepje, maar dat valt al snel uiteen. Ondanks de regen loopt de klim naar Pass dal Fuorn (2149) zonder problemen, alleen op de top is het ontzettend koud. Ik heb geen armstukken meegenomen, alleen een regenjack dat al helemaal doorweekt is. We besluiten snel af te dalen en onderaan de afdaling te wachten op de bus voor de soepservice. In een bushokje weten we onszelf nog een beetje warm te houden, maar ik blijf klappertanden. Ik besluit dat als het weer zo blijft de kortste route naar St. Moritz te nemen. De rest besluit echter na de soep de shuttlebus door de tunnel te nemen om zo via Italië naar St. Moritz te rijden. Ik ben al snel overgehaald en hang mijn fiets op de aanhanger van de shuttlebus. De chauffeur lijkt rekening met ons te houden en zorgt ervoor dat er in de bus een aangename temperatuur heerst. Na vijftien minuten hebben we de eindhalte echter al bereikt. Aan de andere kant van de tunnel is het weer beter, maar het blijft koud. De enige oplossing om het warmer te krijgen is hard te fietsen, dus in volle vaart stormen we af op de voet van de Forcola di Livigno (2315). Naarmate ik het warmer krijg, wordt mijn stemming beter. Het uitzicht is adembenemend. Dat helpt! De klim naar de Forcola is niet al te steil, maar op de top is het beste bij iedereen ervan af. Het weer eist zijn tol. We kopen veel drop en winegums om weer wat energie te krijgen. Na het passeren van de grens met Zwitserland volgen een korte koude afdaling en een klim naar de Passo del Bernina (2330). Daarna is het alleen nog maar afdalen naar St. Moritz. Ondanks de kou en de regen haal ik snelheden van ver boven de zeventig kilometer per uur. De weg is overzichtelijk en ligt er goed bij. Dat maakt een heleboel goed! ’s Avond krijg ik echter een teleurstelling te verwerken. Er zit een slag in mijn achterwiel omdat er een spaak is gebroken. Het is maar de vraag of ik de volgende dag kan fietsen, want ik heb geen vervangende spaak en de fietsenmakers zijn de komende dagen gesloten vanwege een feestdag en het weekend. Aan de andere kant moet ik blij zijn dat er geen ongeluk is gebeurd toen ik in volle vaart met een beschadigd achterwiel de Passo del Bernina afreed.
De volgende dag komt de redding uit onverwachte hoek. Er staat een groep Tsjechische fietsers naast ons en van hun materiaalman krijg ik een vervangende spaak. Ik kan gewoon met de rest van de groep vertrekken richting Chur. Het weer is goed. En in de eerste kilometers naar de voet van de Albula (2315) rijd ik alle frustratie eruit. Voordat we aan de klim beginnen staat het gemiddelde op achtendertig kilometer per uur. De Albulapass is misschien wel de mooiste beklimming van deze reis. We rijden door een open Alpenlandschap dat gedomineerd wordt door de grazende koeien. Hoe hoger je komt, hoe ruiger het landschap. Na wat gedronken te hebben op de top beginnen we aan een lange afdaling. Onderweg komen we Robert Gesink nog tegen die zich aan het voorbereiden is op de Vuelta. Hoe mooi de Albula is, zo lelijk is de Lenzerheidepass (1549). Er staat niet eens een colbordje en dan tel je natuurlijk niet echt mee als pas. Vanaf Lenzerheide is het alleen nog maar afdalen naar Chur, waar we de eerste rustdag hebben. Omdat het de hele nacht regent, besluit ik de volgende dag niet te gaan fietsen, maar te gaan hardlopen langs de Rijn. Via een ruiterpad loop ik tot aan Tamins en keer daarna om, een kilometer of éénentwintig in ruim twee uur. De omgeving is werkelijk schitterend. ’s Avonds is er vuurwerk langs de Rijn als afsluiting van een Zwitserse feestdag.
Op dag zeven loopt de etappe naar Disentis. Er bestaat de mogelijkheid de Lenzerheidepass van de andere zijde te beklimmen, maar dat sla ik over want het is een lelijke klim. Daardoor wordt de etappe wel erg kort. Vooral omdat er geen enkele echte beklimming in zit. Menno en ik besluiten in Disentis ondanks de kou en het slechte weer eerst nog Lukmanierpass (1920) te beklimmen alvorens naar de camping te gaan. De pas is verlaten. Door de regen en het wolkendek lijkt het alsof je de enige in het landschap bent. Je hoort alleen af en toe het gepiep van de bergmarmotten. De beklimming is niet al te zwaar. Na de steile stukken volgt steeds weer een stuk waarbij je op adem kunt komen. Het enige waar is me zorgen over maak is de kou. Tijdens de beklimming hou je het door de inspanning nog wel warm, in de afdaling is dat onmogelijk. Op de top drinken we een kop koffie in het café om wat op te warmen. We zien een andere wielrenner zijn fiets op de bus laden. Hij vindt het te koud voor de afdaling. Heel even twijfelen we, maar met de bus gaan is geen optie. Met alle wielerkleding aan die we bij ons hebben gaan we de afdaling in. Mijn vingers zijn zo verkleumd dat ik bijna niet kan remmen. Daarom probeer ik op de rechte steile stukken de snelheid laag te houden. Het wegdek is slecht en het is nat. Slechte omstandigheden om hard naar beneden te gaan. Gelukkig komen we veilig aan op de camping waar de warme chocolademelk al voor ons klaar staat. Inmiddels ben ik niet meer de enige met spakenpech, want Ingmar heeft op de grote weg naar Disentis ook een spaak gebroken. Een geluk bij een ongeluk was dat hij een lift kon krijgen. Zijn spaken zijn echter wat moeilijker verkrijgbaar bij de fietsenzaken.
De volgende ochtend bij het vertrek merk ik dat er weer wat speling op mijn achterwiel zit. Er blijkt weer een spaak gebroken te zijn. Een paar vloeken vliegen eruit. Afzien op de fiets is niet erg, daar kies ik zelf voor, alleen materiaalpech is zo’n ellende. Chagrijnig neem ik samen met Ingmar de trein over de Oberalppass (2046) naar Andermatt om daar een fietsenzaak te zoeken. In Disentis is geen fietsenzaak te vinden. Hoewel de treinreis over de Oberalp een hele beleving is kan ik er niet van genieten. In Andermatt is het tot twee uur wachten voordat de fietsenzaak opengaat. Voor mij is er goed nieuws. Ik kan drie passende spaken kopen, ik zet er één in mijn achterwiel en tape er voor de zekerheid twee vast op mijn frame. Voor Ingmar is er slechter nieuws. Zijn spaken moeten besteld worden. Hij kan wel een nieuw achterwiel kopen voor 400 euro! Een belachelijke prijs. Terwijl hij besluit zijn reis met de trein te vervolgen, maak ik me klaar om de Furkapass (2436) over te gaan. Deze etappe zou de koninginnenrit zijn geweest. Ik had plannen om over de Sustenpass (2224) en de Grimselpass (2165) naar Reckingen te fietsen, maar door de materiaalpech komt daar niets van. Vol energie rij ik de Furkapass op. Het klimmen heeft het voordeel dat gaandeweg je stemming omslaat. Als ik boven ben is alle frustratie eruit. Ik ben blij dat ik weer kan fietsen. Elke kilometer is meegenomen. Wel merk ik dat ik niet meer vol de afdaling in durf te gaan. Een nieuwe spaakbreuk hangt als een zwaard van Damocles boven mijn hoofd. En ik moet er niet aan denken wat er zou kunnen gebeuren als mijn achterwiel vast zou slaan op volle snelheid in de afdaling. Ik daal als een strijkijzer. In Gletch aan het einde van het steilste gedeelte van de afdaling kom ik op een terrasje een deel van de groep tegen. Vanaf hier is er een schitterend uitzicht op de Rhônegletcher. Omdat ik nog vol energie zit besluit ik vanaf Gletch nog zes kilometer te klimmen naar de Grimselpass. Een korte klim, maar een adembenemend uitzicht. Het is mooi om te zien hoe de enorme elektriciteitsmasten volledig opgenomen worden in het landschap. Vanaf de Grimselpass is het alleen nog maar afdalen naar de camping in Reckingen.
De zesde etappe loopt van Reckingen naar Martigny door het Rhônedal. Omdat ik gisteren de Oberalppass heb gemist wil ik voordat ik naar Martigny vertrek eerst de Nufenenpass (2478) beklimmen. Daarmee wordt het ook de langste etappe. Gelukkig gaan Niels en Menno mee, want anders zou de lange rit door het Rhônedal in de brandende zon met tegenwind erg zwaar worden. Na de zware beklimming van de Nufenen slaan we eerst een voorraad eten en drinken in bij een supermarkt. Daarna kunnen we beginnen aan een lange race. Tot aan Visp is het in volle vaart afdalen. Hele stukken rijden we boven de vijftig kilometer per uur. Daarna vlakt de weg wat af. De tegenwind wordt steeds sterker. Omstebeurt doen we het kopwerk. Dat helpt, maar in de laatste kilometers is bij iedereen het beste er toch wel van af. We zijn uiteindelijk blij wanneer we na bijna zes uur fietsen in Martigny op de camping aankomen.
Op de tweede rustdag rijden we naar Verbier (1490), het skioord waar Contador een greep naar de macht deed in de Tour de France. Vanaf de camping loopt de weg meteen vals plat omhoog. Het is dezelfde weg die we morgen moeten rijden voor de beklimming van de Col du Grand Saint Bernard. De weg is smerig. Ook de beklimming van Verbier is niet echt tot de verbeelding sprekend. Ik doe bijna twintig minuten langer over de klim dan Alberto Contador. Onvoorstelbaar hoe hard die profs de berg op rijden. De rest van de dag is het uitrusten voor het laatste zware gedeelte van de tocht richting Alpe d’Huez.
Etappe zeven gaat van Martigny naar Gignod. Om het eerste gedeelte van de drukke weg over de Col du Grand Saint Bernard (2473) te ontlopen neem ik de weg die loopt via Champex-Lac (1500). Het lijkt alsof ik in de Ardennen ben aanbeland. De klim loopt over rustige wegen door groene bossen. Na afgedaald te zijn tot Osières moet ik de grote weg op. Het wordt een vervelende drukke klim richting de Grote Sint Bernard. Vrachtwagens passeren rakelings op volle snelheid. Pas na de splitsing met de tunnel wordt het fietsen aangenamer. Het zijn wel de zwaarste kilometers en ik heb het idee dat mijn voeten in brand staan. De constante druk op de pedalen zorgt voor pijnscheuten in mijn rechter voet. Ik ben dan ook blij als ik op de top ben. De bus staat al klaar voor de soepservice. Uit de wind in de zon is het heerlijk. De vorige groep had hier in de vrieskou gestaan. Het kan dus snel verkeren. Na vijfentwintig kilometer afdalen komen we aan in Gignod. We zijn weer in Italië.
De volgende dag rijden we van Gignod over de Col du Petit Saint Bernard (2188) naar Bourg-St-Maurice. In de Tour de France zaten beide beklimmingen van de Sint Bernard in één etappe. Voor ons is dat toch iets teveel van het goede. Vanaf Gignod rijden we door typisch Italiaanse dorpjes naar Pré-St-Didier. Er heerst een absolute stilte. Een groot deel van de tijd rijden we door de wolken. Regenen doet het echter niet. We hebben weinig uitzicht, maar wat we zien is schitterend. Totaal anders dan de vorige dag. Ook de beklimming van de Kleine Sint Bernard is veel mooier dan die van de grote broer. De weg loopt via mooie haarspeldbochten omhoog. Nergens is de klim echt steil. Je kunt er goed tempo rijden. We krijgen alleen vijf kilometer voor de top een enorme regenbui te verduren. Op de top is het droog, maar is de afdaling begint het weer te plenzen. Oppassen geblazen dus. Ik heb gezien hoe Jens Voigt in deze afdaling onderuit is gegaan en ik wil dat graag voorkomen. De regen zorgt ervoor dat mijn remblokjes in Bourg-St-Maurice versleten zijn. Nog één zo’n regendag en er is niets meer van over.
De negende etappe gaat over de Col de la Madeleine (2000) naar St. Martin sur La Chambre. Er zijn wat extra uitstapjes te maken zoals de beklimming van La Plagne (2100) – het skioord waar Boogerd won – en Notre-Dame du Pré (1350). Ik doe alleen de laatste want de beklimmingen naar skioorden zijn meestal niet de mooiste en ik wil op tijd zijn voor de soepservice op de Madeleine. De etappe begint erg mooi met de klim naar Notre-Dame, maar omdat ik vandaag alleen rij moet ik constant op de routebeschrijving kijken zodat ik de juiste weg neem. Dat haalt de snelheid eruit. Vooral in de aanloop naar de Madeleine is het zoeken. Het begin van de beklimming van de col loopt goed. Tweemaal is er een tussenstuk waarbij je even op adem kunt komen. Halverwege kom ik de bus van Cycletours tegen dus ik weet dat ik op de top wat eten en drinken kan krijgen. Nadat de bus mij is gepasseerd begint het laatste gedeelte van de beklimming. Het is nog maar een kilometer of zeven maar alles begint pijn te doen, mijn voeten, mijn benen, mijn zitvlak. Voor het eerst deze reis is het echt afzien. En dan te bedenken dat ik de klim naar La Plagne heb laten zitten. Een deel van de groep heeft veertig kilometer meer in de benen wanneer ze de Madeleine over moet. De lucht is aan het betrekken en het is duidelijk dat er onweer komt. Ik ben blij dat ik op tijd op de top ben om wat te eten en daarna in droog weer af te dalen. Uiteindelijk ben ik de enige die nog gebruik heeft kunnen maken van de soepservice. Toen alle anderen op de top kwamen was de bus inmiddels vertrokken naar de camping. Omdat ik als eerste bij de camping aankwam ben ik de Madeleine een aantal kilometers vanaf de andere kant weer opgefietst totdat ik de eersten van de groep zag afdalen. Op de camping was het nog even verwarrend omdat we nergens de bus zagen en de campingeigenaar van niks wist. We vreesden nog even voor problemen bij één van de medefietsers, maar gelukkig stond de bus uiteindelijk alleen verdekt opgesteld aan de andere kant van de camping. Nadat ik mijn tent heb opgezet begint het te stortregenen. Ik heb medelijden met de anderen die het laatste deel van de afdaling in de stromende regen moeten afleggen.
Vandaag is officieel de laatste etappe over Col de la Croix de Fer (2067), de Col du Glandon (1924) via Bourg d’Oisans naar Alpe d’Huez. Ik had eerst nog plannen om via de Col du Galibier te fietsen, maar vanwege het slechte weer van vannacht heb ik dat maar uit mijn hoofd gezet. Met somber maar droog weer vertrekken we richting St. Jean de Maurienne om aan de beklimming van de Croix de Fer te beginnen. Ik merk al snel dat het beste er bij mij van af is. De laatste dagen zie ik dat mijn teller steeds vaker onder de tien kilometer per uur komt. Dat was de eerste dagen bijna nooit het geval. Maar als je blijft doortrappen komt je uiteindelijk ook boven, alleen duurt het wat langer. Op de Croix de Fer worden schitterende uitzichten afgewisseld met enorm lelijke wintersportdorpen. Ik ben blij wanneer ik het laatste gepasseerd ben en aan de laatste kilometers begin. Hier is het weer rustig, en koud! Heel de dag dreigt het al te gaan regenen. Op de top even een cola gedronken en daarna snel ‘opgedaald’ naar de Col du Glandon. Bij de beklimming van de Croix de Fer krijg je de Glandon zo’n beetje gratis erbij. In de afdaling zijn de twee pittige klimmetjes die ontstaan zijn nadat de oorspronkelijke weg door een aardverschuiving was verdwenen een aangename verrassing. Ze zorgen ervoor dat ik het weer warm krijg. Bij het stuwmeer gaat het jasje uit en rijden we in volle vaart richting Bourg d’Oisans. In de verte zien we de groep rijden die niet over de Croix de Fer, maar over de Glandon is gekomen, een mooi mikpunt. We rijden tegen de vijftig kilometer per uur Bourg d’Oisans binnen. Even wat drinken op de camping en daarna Alpe d’Huez op. Ik doe meer dan een uur en een kwartier over de beklimming. Ik ben echt aan het harken, maar nog steeds haal ik mensen in. Alleen Niels is ver vooruit. Er zijn fietsers die waarschijnlijk meer dan twee uur over de dertien kilometer klimmen doen. Bij de officiële Tourfinish snel een foto maken en daarna naar beneden. Alpe d’Huez is geen plaats om lang te blijven.
Hoewel de officiële route erop zit ga ik de volgende dag toch fietsen. Ten zuiden van Les Deux Alpes loopt een schitterende beklimming door een kloof naar La Bélarde. Het is merkwaardig dat het op Alpe d’Huez zo druk is terwijl er op deze mooie route bijna geen fietser te vinden is. Ik had gedacht rustig uit te kunnen fietsen, maar dat valt tegen. De klim wordt steeds steiler en uiteindelijk verschijnen er een paar haarspeldbochten, waar binnen een paar kilometer een enorm hoogteverschil wordt overbrugd. Daarna vlakt de weg af en is het rustig doorpeddelen tot La Bélarde. Op de terugweg stop ik regelmatig om wat foto’s te maken. Na de beklimming van de Kleine Sint Bernard is dit toch wel de mooiste route van de reis. Een waardige afsluiter van mijn fietsvakantie.
Laatste reacties